De FAZANT




 

INHOUDSOPGAVE

  •  Beschrijving
  • Biotoop
  • Voedsel
  • Voortplanting
  • Vijanden & bedreiging
  • Broedgelegenheid
  • Uitzetten is verboden
  • Opening jacht
  • Jachtmethoden
  • Jacht voor de voet
  • Drijfjacht
  • Wapens en munitie

 

  •  






 

 

 De fazant kan ons op veel verschillende manieren bekoren: als spectaculair fraaie verschijning in de natuur, als aantrekkelijke jachtvogel en als leverancier van het basismateriaal voor het hoogste culinaire genieten.

 

BESCHRIJVING 

Indeling: Tot de onderfamilie der Phasianinae behoren, behalve de "echte" fazanten, ook de pauw en de kip. De bekendste - over de hele wereld en ook in Nederland verspreide - vertegenwoordiger van deze groep is de jacht- of edelfazant Phasianus colchicus.

Vele honderden jaren voor het begin van onze jaartelling werden in Griekenland al fazanten gefokt. De Romeinen verspreidden het dier verder en na de val van het Romeinse rijk namen kloosters en vorstenhoven dit over. Sindsdien vormen fazanten een geliefkoosd jachtobject.

Voorkomen in Nederland:

Beschrijving: De in Europa levende dieren zijn kruisingen tussen minstens vier ondersoorten, afkomstig uit gebieden die zich uitstrekken van de Kaukasus via China tot in Japan. Er zijn hanen met een zwarte hals, naast ringfazanten met een witte halsring, isabelkleurige witvleugel-fazanten naast zeer donkere tenebrosusfazanten; exemplaren met een goudkleurige buik uit de Kaukasus naast olijfgroene uit China; grote en winterharde dieren uit Mongolië naast bronskleurige en blauwe uit Japan. Hierdoor lijkt welhaast geen fazantenhaan op de andere, en zijn ze allemaal individueel te herkennen.

De hanen hebben een uit achttien pennen bestaande staart met enkele opvallend grote veren, om in de baltstijd mee te pronken. De naakte huid van kop en hals zwelt dan op en vormt felrode hanenkammen, lellen en "rozen". Aan de achterzijde van de kop heeft de haan twee pluimen en aan zijn poten sporen. Bij jonge hanen zijn deze klein, bij overjarige soms vervaarlijk groot. Hennen hebben de -tijdens het broeden zo belangrijke - bruine schutkleur. Fazanthaan met meer dan 1000 vlieguren

Biotoop: De aanwezigheid van fazanten hangt nauw samen met de aanwezigheid van dekking, rust, voedsel en vooral water. De fazant is een standvogel van half open en besloten landschappen. Verruigde terreinen en grienden vormen een ideale leefomgeving. In landbouwgebieden met enige variatie en dekking komen ook redelijke dichtheden voor. De fazant heeft een zeer brede verspreiding en is in Nederland een talrijke broedvogel. Alleen in uitgestrekte graslandgebieden en droge zandgronden komt bij weinig of niet voor.

Voortbeweging: Fazanten zijn echte loopvogels. Ze kunnen zich razendsnel in alle richtingen verplaatsen. Bovendien verstaan ze de kunst om ongezien tussen de begroeiing weg te sluipen. Een normaal zeer opvallende fazantenhaan is in staat om als een slang tussen graspollen door weg te kruipen. Op het moment dat ze op de wieken gaan gebeurt dat in een snelle, "roffelende" vlucht, haast altijd voor de wind. De hanen maken hierbij meestal een luid kakelend misbaar. Soms laten ze zich na een korte vlucht als een steen weer in de dekking vallen. Dat gebeurt ook als ze gaan overnachten op grasland. Fazanten roesten op boomtakken, maar ook regelmatig op de grond, waar ze zich haast onvindbaar kunnen wegdrukken.

Voedsel: De fazant is een alleseter. Op het menu staan zaden (granen), delen van planten (fazantenschade in spruiten en jonge bieten), insecten, slakken en allerlei ander dierlijk materiaal. Het voedsel wordt voor verteerd in een krop. Met de krachtige poten, sporen en snavel wordt de bodem losgemaakt om bij ondergrondse plantendelen te komen (schade in de bollenteelt) of om bodemdieren te voorschijn te brengen. Foerageren gebeurt 's ochtends en ‘s avonds, vaak in groepen in het open veld.

Voortplanting: In maart,april en mei bakent de haan kraaiend zijn territorium af. Het meet ongeveer 400 bij 400 meter, met een overlapping door andere hanen. Concurrenten worden verjaagd. In deze periode is het mogelijk een schatting te maken van het aantal fazanten in een gebied. Een haan bezit een of meerdere hennen, die hij met zachte geluiden begeleidt. De hennen herkennen hun haan aan zijn roep. De haan biedt de hen voedsel aan en benadert haar vervolgens met een slepende vleugel en schuddende staart. Hierbij maakt hij met gesloten snavel sissende geluiden. Vervolgens treedt hij de hen. 

Fazanten zijn afhankelijk van dekking, rust, voedsel en vooral water

BIOTOOP- EN VELDVERZORGING

Het leggen begint eind april. Het nest is een ongeveer 18 cm breed en 7 cm diep kuiltje, bekleedFazanthen met kuikens oo de rand van een weg.jpg (104990 bytes) met grashalmen en veertjes. Het ligt in een grashoop of onder een struik. Een legsel telt tot 14 eieren. Er is geen tweede leg, maar bij verlies wordt de eerste leg wel vervangen. De kuikens komen na 23 dagen tegelijk uit. Ze kunnen op hun twaalfde dag al aardig vliegen. De hen verlaat de jongen als deze half volwassen zijn. Zij is een vrij slechte moeder, die rustig doorscharrelt als een deel van haar kroost achterblijft. De haan heeft dan allang elke belangstelling verloren; in juni gaat hij ruien.

Vijanden en bedreiging: Gebrek aan dekking en voedselvariatie. De belangrijkste doodsoorzaak van jongen is voedselgebrek. Predatoren (vos, havik, kraai, ekster, bunzing en Vlaamse Gaai) eisen hun tol van zowel eieren, kuikens als volwassen vogels (vos en havik). Langdurige perioden van koude en regen zijn funest. Daarnaast maken landbouwmachines (het uitmaaien van nesten) en het autoverkeer veel slachtoffers.

Hun eerste levensweken zijn aangewezen op eiwitrijk voedsel, dat veelal nabij poelen en slootjes is te vinden. De volwassen dieren eten naast allerlei plantaardig voedsel (zaden en delen van planten) ook allerlei dierlijk materiaal, zoals wormen en slakjes. Ook daarvoor kom je in een vochtige omgeving terecht. Denk dus bij de aanleg van een fazantenbiotoop in de eerste plaats aan poelen en slootjes met daar omheen struweel en hogere bomen (voor slaap en roestplekken). Maar zorg ook voor ruigtestroken en open, zonnige plekken. ik?aar de dieren zich na een regenbui graag zullen laten opdrogen. Belangrijk is wel dat ze bij onraad meteen in de dekking kunnen vluchten.

Broedgelegenheid: Fazanten broeden graag in houtsingels en laag struweel naast akker? en weidepercelen. Pollen brandnetel (als akkerkruid zeer ongewild en bramen bieden een perfecte schuilplaats en houden ongewenste bezoekers vaak op eerbiedige afstand. Alhoewel een fazant niet gauw van het nest vlucht. zal verstoring door o.m. huisdieren als loslopende honden en katten de hen er uiteindelijk van weerhouden om de broedperiode af te maken. Een vast op het nest ziftende hen kan ook gemakkelijk door een snoerende vos worden gepakt. Een wakend oog kan hier preventief werken.

Uitzetten is verboden: Het zij hier nog maar eens herhaald: het uitzetten van fazanten voor de jacht is verboden Er wordt streng op dit verbod gecontroleerd. De jager, die desondanks fazanten blijft uitzetten en daarbij betrapt wordt, is de spreekwoordelijke eenling die het voor alk anderen verpest, want het "geduld" van de regelgevend overheid ten aanzien van deze problematiek is op, hij of zij zal dan ook direct door het bestuur van de WBE Susteren/Graetheide geschorst worden, in afwachting van de gerechtelijke uitspraak.

Beter broedsucces bij fazant door bijvoederen:
Na de laatste week van de jacht de laatste voederemmers vullen?
Onzinniger kan het eigenlijk niet bij wilde fazantenpopulaties!
Het stoppen met bijvoederen op het einde van de jachtperiode dateert nog uit de tijd van het uitzetten. Eens de jacht voorbij, diende immers niet veel meer uitgekeken te worden naar deze fokproducten, want voor de volgende jachtperiode kon men immers het jachtveld naar believen ‘herbevolken’ door gewoonweg deuren en manden te openen... Nu de wilde fazant in steeds meer jachtvelden zijn vaste stek veroverd heeft en het uitzetten van fazanten verboden is, dient het fazantenbeheer aangepast te worden aan de wilde vogels.
Bijvoederen tot diep in het voorjaar is dan één van de maatregelen die helpt om de stand op peil te houden.
De moeilijkste periodes voor volwassen fazanten zijn de late winter en de vroege lente. De overgebleven graankorrels op de akkers, de diverse onkruidzaden of lekkere bessen zijn immers al lang in de hongerige magen van wild of allerlei zangvogels verdwenen.
Bos en veld zijn dan werkelijk voedselarm geworden en wel net in een periode waarin de ‘voorbereidingen’ voor het nieuwe broedseizoen beginnen. Het afbakenen van territoria, de energieverslindende paartijd, de activering van de eierstokken, de productie van eieren... Af en toe
hoor je wel eens opmerkingen: "Maar er zijn dan toch de nieuwe, sappige en jonge scheuten van opschietend wintergraan, grassen en kruiden?”. Wij zijn echter geneigd deze vegetarische schotels steevast te vergelijken met de overigens bijzonder lekkere asperges: zonder gesmolten boter en een geplet, maar deze leveren ze bijzonder weinig calorieën!

BEJAGING

Opening jacht: Onder de Jachtwet is de jacht op fazanten geopend van 15 oktober tot en met 3 1 december (hennen', en van 15 oktober tot en met 31 januari (hanen); (de jachttijden onder de Flora- en faunawet zijn nog niet bekend).

(zie  de jachtkalender )

Jachtmethoden: Fazanten worden in Nederland op twee manieren bejaagd: voor-de-voet en gedreven. Tussenvormen hiervan worden ook toegepast. Bij de fazantenjacht wordt een beroep gedaan op goede (voor)jagers met dit( honden.

BIOTOOP

In november zijn de drijfjachten populair. Er staat dan nog volop gewas op de akkers: bieten, groenbemester, spruiten e.d. Er worden driften uitgezet, waarbij geweren strategisch "op kop worden opgesteld. De drijvers, met daartussen enkele geweren en voorjagers met staande honden en/of drijfhonden, nemen de drift in een rechte linie. Langzaam lopen is het devies, vaak worden driften te snel afgeraffeld en zien fazanten hun kans schoon om lopend te ontkomen. Omdat de honden verwaaiing moeten hebben, worden de driften zo mogelijk tegen de wind in genomen. Ook bij het opstellen van de geweren moet rekening worden gehouden met de windrichting. Vooral als er een flinke wind staat, zullen de vogels graag met de wind mee snelheid maken.

Jacht voor-de-voet: Na ongeveer half november komt de voor-de-voet-jacht op fazanten vaker aan bod. Het is een ideale manier om ruigtes, houtsingels, dijkjes en stukken ruigte te bejagen. Spaniëls zijn in dit geval ideale hulpjagers,maar ook staande honden, zoals de Duitse staande ruwhaar en Jack Russells zijn hiervoor goed te gebruiken. Bij deze jachtvorm is het schot op de opvliegende vogel doorgaans niet zo moeilijk. Toch is het raadzaam goede apporteurs bij de hand te hebben, want een gevallen vogel kan gemakkelijk zoekraken in de ruigte.

Tijdens fazantenjachten moeten de hennen worden gespaard. De jachtleider geeft hierover voor aanvang jacht de instructies, bijvoorbeeld niet meer dan één hen per geweer vrij. Men wil aan het eind van het seizoen zo'n zes hennen per haan overhouden, voor het volgende broedseizoen. 

Zoals de oude jagerswijsheid luidt: "hennen die je schiet, die leggen in het voorjaar niet".

Fazantenschade-in-bloemboll.jpg (63680 bytes)

Schade: plaatselijk kunnen fazanten veel schade aanrichten, bijvoorbeeld in de bollenteelt en pas ingezaaide suikermaïs. Het kan geen kwaad om met de landbouwer diens bouwplan te bespreken en vast te stellen waar de schadegevoeligheid ligt. Op deze "zere plekken" kunnen de fazanten vervolgens wat straffer bejaagd worden dan normaal.

HET HONDENWERK

Voor-de-voet: Bij de fazantenjacht kunnen honden op veel verschillende manieren worden ingezet. Bij de voor-de-voet-jacht kan men kiezen uit staande honden en spaniëls. Staande honden hebben de voorkeur in uitgestrekte velden; zij nemen ruim veld. Daardoor kunnen zij' fazanten, die ver naar voren lopen, de pas afsnijden. De hond staat voor, de jager kan ernaartoe lopen, het wild gaat op en biedt een schotkans. De meeste staande honden zijn goede apporteurs. Ze moeten goed onder appèl staan en hazenrein zijn jaagt men op een kleinschalig terrein met veel dichte dekking, dan zijn spaniëls ideale honden om mee voor?de?voet te jagen. Zij vinden het wild in de dekking en stoten het op.

Het is van belang dat ze kort onder het geweer actief zijn, anders gaat het wild buiten schot op. Spaniëls zijn doorgaans ook goede apporteurs.

Drijfjacht: Tijdens drijfjachten op fazanten worden honden ingezet als drijfhond of apporteur. Als drijfhond zijn zowel staande honden als spaniëls te gebruiken. Laat men echter in overzichtelijk terrein spaniëls en staande bonden door elkaar heen werken, dan bestaat de kans dat de spaniëls "meegetrokken" worden door de staande bonden en daardoor op te grote afstanden gaan werken. In terrein met veel dekking is dit risico kleiner.

Drijfhonden moeten zodanig onder appèl zijn dat ze niet achter een stuk wild aan de drift uit rennen. Alleen op verzoek van een jager mogen ze uit de drijverslinie komen om te apporteren. in alle andere gevallen wordt het apporteren op een fazantenjacht overgelaten aan de picker-up.

Picker-up: Een picker-up beschikt over een apporteur die rustig op post kan zitten, zonder te blaffen of te piepen. Ook moet de hond zacht in de bek zijn om het wild onbeschadigd binnen te brengen, Naast retrievers zijn ook continentale staande honden en spaniëls geschikt.

De belangrijkste taak van de picker-up is het binnenbrengen van geschoten wild. Daarom moet deze in het veld een positie innemen van waaruit men het wild, na het schot, desnoods lang kan nakijken en aan de grond zien komen, om daarna de bond onmiddellijk te kunnen inzetten.

Aangeschoten fazanten lopen niet altijd weg van de valplaats, maar drukken zich daar ook vaak. Omdat gedrukt wild bijna geen geur afgeeft, moet de voorjager de valplaats goed markeren en zonodig zelf gaan kijken. Zo kan men op omgeploegd land de fazant zien zitten, zonder dat de hond er verwaaiing van krijgt. Is het wild niet te vinden, markeer dan de valplaats en keer na een half uurtje nog eens terug. In de tussenliggende tijd heeft het gedrukte wild zich vaak even bewogen, waardoor de hond wel lucht kan krijgen en de fazant kan vinden.

Een fazant "op de loop" zal via greppels of voren de dichtstbijzijnde dekking opzoeken. Ook als de hond het spoor niet oppakt kan men succes hebben door systematisch de dekkingen in de buurt van de valplaats af te zoeken.

Neem voldoende drinkwater en energierijk voedsel mee voor de hond op fazantenjacht. Ook voor jachthonden zijn dit mare dagen, die onderbroken moeten worden met een natie en een droogje. Zorg voor een wilddrager om het geschoten wild over de schouder mee te nemen. Met een game-dispatcher. een speciaal voor dit doel ontworpen tang, kan aangeschoten veer- en waterwild snel gedood worden.

AANBEVOLEN WAPENS EN MUNITIE

Zachte hagel: De fazant mag alleen met het hagelgeweer bejaagd worden. Bij het voor-de-voet-jagen vliegt de fazant doorgaans niet ver en ook niet hoog. Een boring van kwart,driekwart is daarvoor het meest geschikt. Bismut of een andere zachte hagelsoort (hagelgrootte 2,75 mm of Duitse 6) voldoet prima. Let wel op of de schietrichting veilig is. want de fazant wil nog wel eens op ooghoogte blijven vliegen.

Op de drijfjacht vliegt de fazant doorgaans hoger en sneller en dan heeft men meer aan een boring half  en full choke. Schiet u echter met staal of tungsten. gebruik dan bij een drijfjacht half  en full choke en maximaal half chokebij de jacht voor de voet, de nauw schietende patronen doen dan de rest. Het is vooral zaak direct de fazant te laten apporteren, daar de staalhagel weinig schokwerking heeft en de fazanten vaak "lopers" zijn. Een goede jachthond is daarom van groot belang bij deze jacht.